Home » Argentinië » Geschiedenis

Geschiedenis


PRE-COLUMBIAANSE PERIODE
Ongeveer 6000 jaar v.Chr. leefden er al mensen in Argentinië. In de provincies Córdoba en San Luis zijn voorwerpen gevonden die daarop duiden. Ca. 5000 jaar v.Chr. bestonden de eerste agrarische gemeenschappen en 1000 jaar later ontstonden de eerste culturen en woongemeenschappen. Zelfs op het zuidelijke en onherbergzame Vuurland zijn resten gevonden die bijna 7000 jaar oud zijn. Het waren jagende nomaden die profiteerden van de vele dieren die in het warme vochtige klimaat goed gedijden. De eerste echte aanwijzingen van woongemeenschappen en volkeren zijn keramiek, stenen voorwerpen en menhirs, gevonden in onder andere de provincies Jujuy, San Juan en Tucumán. In het noorden en oosten van Argentinië ontwikkelden zich agrarische gemeenschappen die leefden van bonen, zoete aardappelen en vooral maïs. Mensen in het noordwesten fokten al lama’s en gebruikten de wol om kleding te maken. Ook het midden van het land maakte een agrarische ontwikkeling door, maar in Patagonië en Vuurland bleef men afhankelijk van de jacht, waardoor daar de culturele ontwikkeling achterbleef. In de eerste eeuwen na het begin van onze jaartelling was er al sprake van huizenbouw, het gebruik van bronzen en koperen voorwerpen en zelfs een ingenieus irrigatiesysteem.
Rond het jaar duizend tot 1480 was Argentinië op de volgende manier verdeeld onder de belangrijkste indianenvolken: Noordoosten: Diaguitas Midden: Huarpes Pampa’s en langs de kust: Querandies en Puelches Chacogebied: Tobas Merendistrict: Araucaniërs Patagonië: Tehuelches Vuurland: Onas, Yaghanes, Selknam en Haush In 1480 werd het noordoosten van Argentinië binnengevallen door de Inca’s, die op zoek waren naar zilver en goud. Ze vonden echter bijna niets en kwamen niet verder dan de provincie Salta in het uiterste noorden van Argentinië.

SPAANSE OVERHEERSING
In 1516 meerde de avonturier Juan Díaz de Solis Rio aan bij de Rio de la Plata, maar hij werd helaas vermoord en vervolgens opgegeten door de indianen. Daarna was het de Venetiaan Sebastian Cabot die langs de oevers van een brede riviermond zeilde, die hij de Rio de la Plata noemde, en ook hij was op zoek naar zilver. In 1536 kwamen de eerste Europeanen aan land en het was Pedro de Mendoza die aan de Rio de la Plata de nederzetting Santa Maria de los Buenos Aires (de heilige Maria van de schone lucht) stichtte. Het dorpje werd een paar jaar later verwoest door de indianen en Mendoza vluchtte naar het noorden. Ca. 40 jaar later werd het definitieve Puerto Santa Maria de los Buenos Aires gesticht door Juan de Garay. Vanuit Bolivia kwam er een andere groep Spanjaarden het noorden van Argentinië binnen en zij hadden veel meer succes. Binnen enkele decennia was het hele noorden gekoloniseerd en ontstonden er steden als Mendoza (1561), San Juan (1562), Tucumán (1565) en Córdoba (1573). Dit gekoloniseerde gebied werd op papier geregeerd vanuit Lima in Peru maar in werkelijkheid was de invloed van de Spanjaarden te verwaarlozen. Het waren vooral de jezuïtische missionarissen die hiervan profiteerden. Zij stichten vanaf 1609 in het noordoosten zogenaamde ‘reducciónes’, missieposten die goed samenwerkten met de indianen en ze probeerden te beschermen tegen de grootgrondbezitters, die veel slaven nodig hadden voor hun plantages. Hierdoor ontstonden posten die economisch volledig zelfvoorzienend waren. Ook in het noordwesten ontstonden dergelijke gemeenschappen, met het grote verschil dat deze opgezet werden door de plaatselijke ‘overheid’. De indianen woonden in zo’n ‘encomienda’, maar in feite leidden ze gewoon een slavenbestaan. Heel veel indianen hielden het niet lang vol; door het harde werk en de vele ziektes die uitbraken decimeerde de indiaanse bevolking binnen enkele decennia, en waren de encomienda’s eigenlijk overbodig. De encomienda’s werden vanaf die tijd min of meer vervangen door ‘haciënda’s’, boerengemeenschappen die zelfstandig het land bewerkten en later ook vee hielden op zogenaamde ‘estancia’s’. De eigenaren waren vaak Spanjaarden die in Zuid-Amerika geboren waren, de criollo’s, en door mestizo’s, die half Spanjaard, half indiaans waren. Ze verbouwden tabak, suikerriet, maïs en katoen. In 1767 veranderde de positie van de jezuïtische missieposten ingrijpend door een besluit van de Spaanse koning Philip III. Volgens Philip ondermijnden de jezuïeten het Spaanse gezag en ze werden gesommeerd om terug te keren naar Spanje. De werkelijkheid was echter ietsjes anders. Het betrof vooral een strijd tussen de grootgrondbezitters en de kerk, die bijna even machtig en rijk waren. De jezuïeten hadden geen middelen of macht om te blijven en met duizenden tegelijk vertrokken ze uit Argentinië. Dit was meteen het einde van de vele reducciónes, die allemaal verwoest werden. In 1777 besliste Spanje dat Rio de la Plata een onderkoning zou krijgen die direct onder de Spaanse koning zou staan. Argentinië viel daardoor niet meer onder de Peruaanse onderkoning. Belangrijk was dat er nu vanuit Buenos Aires ook handel gedreven mocht worden met Spanje. Tot dan toe was Buenos Aires een relatief onbeduidende smokkelhaven gebleven sinds de stichting in 1580. Twee andere steden, Tucumán en Córdoba, waren al veel belangrijker voor de Noord-Argentijnse regio. Tucumán was in die tijd hét handelscentrum, ook voor export naar naburige landen, en Córdoba was het intellectuele centrum met universiteiten en hogescholen.

ARGENTINIË ONAFHANKELIJK
Vanaf deze tijd werd Buenos Aires de belangrijkste handelsstad, zowel voor de doorvoer naar onder andere Bolivia en Peru als voor de export naar Europa. Door de opkomst van Napoleon aan het begin van de negentiende eeuw, verloor Spanje langzaam zijn greep op de koloniën, ook al doordat de Spaanse vloot niet veel meer voorstelde. De machtige positie van Spanje werd al snel overgenomen door de Britten die een groot deel van de handel naar Zuid-Amerika in handen hadden genomen. Ze lieten natuurlijk ook hun oog vallen op Argentinië en dan natuurlijk vooral op Buenos Aires. In 1806 werd Buenos Aires door de Britten bezet, maar al in 1807 werden ze verdreven door een legertje opstandelingen dat hartstochtelijk gesteund werden door de bevolking. Spanje was ondertussen door Napoleon ingenomen en de criollo’s verlangden steeds meer naar onafhankelijkheid ten opzichte van Spanje. Het waren uiteindelijk Manuel Belgrano, Bernardino Rivadavia en Mariano Moreno, drie criollo’s, die beïnvloed door de Franse verlichting en door de Franse Revolutie het initiatief namen voor een onafhankelijke staat. Op 25 mei 1810 riepen enkele honderden burgers een voorlopige junta van de provincie Rio de la Plata uit, die het gezag van de Peruaanse onderkoning zou overnemen. De grootgrondbezitters (estancieros) wilden hun landerijen natuurlijk behouden en er ontstonden al snel problemen tussen de zogenaamde Unitario’s, die een sterk centraal gezag wilden, en de Federalisten, de leiders van de provincies en landeigenaren die zich niet wilden onderwerpen aan het centrale gezag in Buenos Aires. Elders in Zuid-Amerika probeerden Spaansgezinden Bolivia weer in te nemen en ook in Uruguay en Paraguay was het zeer onrustig.

ONAFHANKELIJKHEID
Op 9 juli 1816 werd er een grondwet aangenomen en de onafhankelijkheid uitgeroepen in Tucumán. Het enige probleem was nog om de Spanjaarden definitief te verdrijven uit Argentinië. Onder de Argentijnse generaal José San Martin werden de Spanjaarden in 1817 verslagen en bevrijdde hij achtereenvolgens Chili en Peru, zonder overigens veel erkenning te krijgen. In het binnenland brak een interne strijd los tussen de federalistische gaucho’s van het platteland en de unionistische hoofdstedelingen. In 1829 kwam de caudillo (machtige leiders van een provincie of regio) Manual de Rosas met behulp van de gaucho’s aan de macht. De regeerperiode van De Rosas zou een van de bloedigste uit de Argentijnse geschiedenis worden. Niet alleen voorstanders van een centraal gezag, de Unitario’s, indianen en gaucho’s werden op grote schaal vermoord; ook collega-caudillo’s werden door de geheime politie, de Mazorca, afgeslacht. De oppositie, geleid door enkele intellectuelen, kreeg de hulp van de caudillo-generaal José Urquiza en het lukte hem met een vrijwilligersleger om het leger van De Rosas in 1852 te verslaan. In 1853 werd er een nieuwe grondwet aangenomen en Urquiza werd de eerste president van Argentinië. Er volgde een periode van opbouw, rust en bloei. Zelfs een bloedige oorlog met Brazilië en Uruguay tegen Paraguay kon de modernisering niet tegenhouden. Dankzij deze oorlog kreeg Argentinië er in 1870 zelfs grondgebied bij: de provincies Chaco, Formosa en Misiones. Onder president Sarmiento, die in 1868 aan de macht kwam, werd het onderwijssysteem vernieuwd en kregen de landbouw en de veeteelt op de pampa’s enorme impulsen. Door koelsystemen, de uitvinding van prikkeldraad en vervoer via spoorlijnen kon Argentinië zelfs gaan denken aan de export van vlees naar de Verenigde Staten en Europa. Een van de problemen was echter het tekort aan arbeidskrachten, maar dit werd opgelost door de komst van grote groepen Europese immigranten. Verder moesten de indianen van de toekomstige weidegronden verdreven worden. Dat probleem werd opgelost door generaal Julio Roca, die in 1879 op grote schaal indianen liquideerde. Op deze bloedige manier kregen de grootgrondbezitters er binnen enkele maanden ca. 400.000 km2 pampagrond bij. In nog geen zestig jaar tijd steeg het aantal inwoners van Argentinië van 800.000 in 1851 naar acht miljoen in 1910. De bevolking was op dat moment zeer divers van samenstelling en driekwart was niet-Argentijn. De Europese arbeiders werden in een soort kolonies aan bepaalde gebieden of werkzaamheden toegewezen. Zo werkten Italianen, Spanjaarden en Engelsen vaak in de havens, Franse en Zwitserse boeren in Mesopotamia en Duitsers in de bossen van de provincie Misiones. De werkelijke macht was in Argentinië in handen van de grootgrondbezitters, de graan- en veeboeren, de financiële elite en de exporteurs van vlees en wol. Het ging Argentinië in die tijd economisch zeer voor de wind en het land behoorde enige tijd tot de tien rijkste landen van de wereld. De Eerste Wereldoorlog had grote gevolgen voor de Argentijnse economie. De afzetmarkt Europa viel grotendeels weg, waardoor men zijn schulden niet meer kon betalen en het land in een financiële crisis raakte. Zoals te voorspellen was kwam de middenklasse meteen in opstand omdat zij het hardst getroffen werd door de crisis; zij eisten meer vrijheid en openheid. Deze middenklasse bestond voor een groot deel uit Europese immigranten die onder leiding van Leonardo Alem de Unión Civica Radical oprichtte, de Radicale Burgerunie. In 1916 werden de eerste vrije algemene verkiezingen gewonnen door de radicalen en Hipólito Yrigoyen werd tot president gekozen. Na de Eerste Wereldoorlog kwam Argentinië economisch weer volledig in beeld; Amerika en Europa hadden weer veel graan en vlees nodig, en daardoor begon er weer een periode van voorspoed en relatieve welvaart die tot eind jaren twintig duurde. President Alvear (1922-1928), die de gouden standaard voor het land herstelde, werd weer opgevolgd door Irigoyen. In 1930 kreeg ook Argentinië te maken met de internationale economische crisis en de conservatieve krachten zagen hun kans schoon en pleegden een staatsgreep. Analoog aan de situatie in Europa staken ook in Argentinië fascistische en nationalistische ideeën de kop op. Irigoyen werd opgevolgd door generaal José Felix Uriburu en daarna volgden tot het einde van de Tweede Wereldoorlog een keur van presidenten, achtereenvolgens Agustín P. Justo, Roberto Marcelino Ortiz, Ramón S. Castillo, Pedro Pablo Ramirez en Edelmiro Julian Farrell.

TIJDPERK PERÓN
President Castillo hield Argentinië buiten de oorlog, wat de ergernis van de Verenigde Staten uitlokte. Het was pas onder president Ramirez dat Argentinië de diplomatieke betrekkingen met Duitsland verbrak en op het laatste moment werd ook nog de oorlog verklaard aan Duitsland en Japan. De ideeën van de Europese dictators werden tijdens de oorlog echter met belangstelling gevolgd. Juan Perón, officier in het leger, was een van die figuren die politieke sympathieën had voor het sociaal-economische beleid in Duitsland en Italië. Om het fascisme te analyseren werd hij in Italië gestationeerd om dat met eigen ogen te aanschouwen. Toen hij terugkwam wist hij dan ook precies wat Argentinië nodig had. Allereerst werd hij onderminister van Arbeid en in 1943 en 1944 wist hij veel aanhangers te krijgen onder Spaanse en Italiaanse emigranten, haven- en landarbeiders. Het werd steeds duidelijker dat Perón eens de leider van Argentinië zou worden; in 1944 werd hij al vice-president en minister van Oorlog en was zodoende een machtig man in de regering Farrell. In 1945 volgde er een tijdelijke terugslag toen hij gearresteerd werd na een nieuwe militaire staatsgreep. Een jonge radio-omroepster hoorde dit en riep de bevolking via de radio op om te gaan protesteren tegen de gang van zaken. In oktober 1945 verzamelden zich dan ook honderdduizenden mensen in Buenos Aires, en met hulp van het leger en door het uitroepen van een grote staking werd Perón teruggeroepen, en in 1946 werd hij zelfs president. Hij trouwde met de radio-omroepster Eva Duarte, die vanaf toen Eva ‘Evita’ Perón zou gaan heten, en wereldberoemd werd. In 1947 richtte Perón zijn eigen partij op, de ‘Partido Paronista’, onder het motto ‘justicialismo’ (rechtvaardigheid). Na de Tweede Wereldoorlog ging het goed met Argentinië, zowel in economisch als op sociaal gebied werd er grote vooruitgang geboekt. Er werden goede sociale wetten voor arbeiders opgesteld, wensen van vakbonden werden gerespecteerd en alle grote bedrijven werden genationaliseerd. Ook de hervorming van de verouderde industrie verliep succesvol. Dat Perón een totalitair, bijna dictatoriaal bewind voerde, werd voor lief genomen. Hij wist echter de nationale eenheid te herstellen en verwierf, mede door zijn vrouw Eva, een grote populariteit, ook in het buitenland. In 1951 werd Perón met grote meerderheid van stemmen herkozen als president van Argentinië. Vanaf die tijd kreeg de economie de eerste klappen te verwerken. Sterk stijgende overheidsuitgaven, misoogsten en sterk dalende graanprijzen op de internationale markt zorgden voor grote economische problemen. De oppositie tegen Perón nam snel toe, en de dood van Evita Perón kwam wel op een heel slecht moment. Er volgden stakingen en demonstraties en in 1955 besloot Perón onder druk van het leger, de kerk en de elite, om af te treden. Vervolgens vluchtte hij naar Paraguay en vandaar als banneling naar Spanje.

DICTATORS EN STAATSGREPEN
Van 1955 tot 1973 was het een bestuurlijke chaos in het land. Militaire coupes en burgerpresidenten wisselden elkaar af, maar het peronisme bleek niet weg te bannen uit de samenleving. De ondergrondse linkse peronistische beweging ‘Montoneros’ begon zelfs een gewapende strijd tegen de militairen, waarna er een heksenjacht op de peronisten ontketend werd. Op 23 september 1955 werd Eduardo Lonardi president, nog geen maand later opgevolgd door generaal Pedro Aramburu. De Economische politiek was in die tijd gericht op inflatiebestrijding, het opheffen van het staatsmonopolie en het aantrekken van buitenlands kapitaal. In 1958 werd de radicaal Arturo Frondizi met steun van communisten en peronisten tot president gekozen. De buitenlandse politiek van Frondizi (hij zocht toenadering tot de Verenigde Staten) wekte veel weerstand en alleen al in 1959 kreeg hij 25 regeringscrises te verwerken. In 1962 mochten de peronisten weer meedoen met de verkiezingen en zij behaalden een grote triomf. Dit leidde echter tot het vertrek van Frondizi, waarna er een crisisperiode volgde en de militairen in feite de macht in handen hadden. Zij benoemden in maart 1962 José Maria Guido tot president en de greep van het leger werd steeds groter; zo werd onder andere de communistische partij verboden. In juli 1963 werd de radicaal Arturo Illia tot president gekozen. Hij kondigde een politiek van economisch nationalisme af en deed een beroep op de strijdkrachten hun onderlinge twisten bij te leggen.
In december 1964 deed ex-president Perón een poging naar Argentinië terug te keren, maar hij werd niet toegelaten. Zijn echtgenote, Isabel Perón, werd wel toegelaten, waarna zij in januari 1966 de leiding van de peronisten op zich trachtte te nemen. Bij de verkiezingen voor de Kamer van Afgevaardigden kwamen de peronisten met hun nieuwe partij Union Popular, opnieuw als de sterkste partij uit de stembus.
Op 28 juni 1966 werd president Illia afgezet en opgevolgd door generaal Onganía. Onganía verbood alle politieke partijen en gaf de hoogste prioriteit aan de economische ontwikkeling. De sociale rust die daarvoor broodnodig was, leidde tot een zekere samenwerking met de peronistische vakcentrale CGT. In 1969 startte in de stad Córdoba een grote volksopstand die echter door de militairen bloedig werd onderdrukt. De roep om de terugkeer van Perón werd steeds heviger en de militaire leider van dat moment, Lanusse, de opvolger van Onganía, gaf hier gehoor aan. Hij riep presidentsverkiezingen uit, Perón mocht zelfs terugkeren naar Argentinië en de het verbod op de Partido Justicialista werd opgeheven. Zijn terugkomst was echter niet zo’n succes. Er braken gevechten uit tussen verschillende peronistische groeperingen en de geheime politie, met als gevolg honderden doden. Dit kon echter niet verhinderen dat Perón op 23 september 1973 opnieuw werd gekozen als president met zijn vrouw Isabel Perón als vice-president. Perón was in die tijd echter fysiek en mentaal niet meer opgewassen tegen zijn moeilijke taak en zowel linkse als rechte groeperingen pleegden terreurdaden, en moorden en ontvoeringen waren aan de orde van de dag. Ook werd hij geconfronteerd met een sterke verdeeldheid in de peronistische beweging tussen linkse en rechtse fracties. In 1974 stierf Perón en zijn vrouw Isabel werd president krachtens de noodtoestand die was uitgeroepen. Het echte regeren was echter in handen van de minister van Welzijn, López Rega. Hij richtte de Argentijnse Anticommunistische Alliantie op, de AAA. Alles wat links was werd nu vogelvrij verklaard en in enkele jaren tijd verloren duizenden mensen het leven in de strijd tussen de linkse guerrilla en de AAA. Economisch ging het in deze tijd zeer beroerd, de corruptie vierde hoogtij, dus de militairen vonden het hoog tijd om weer een staatsgreep te plegen, de vijfde keer in 40 jaar. Intussen wisten vakbonden, politici en militairen de presidente te bewegen tot het ontslag van López Rega. Op 24 maart 1976 werd Isabel Perón door de militairen afgezet en gearresteerd. In juni 1981 werd zij vrijgelaten, waarna ook zij in Spanje in ballingschap ging.

MILITAIRE BEWIND VIDELA, 1976-1983 Een junta van drie militairen kwam aan de macht, met generaal Videla als president en verder nog Emilio Messera en Orlando Agosti. Al snel bleken de mooie plannen over wederopbouw en de strijd tegen het ‘terrorisme’ loze praatjes te zijn. Iedereen die wat linkse of progressieve iedereen had was verdacht, kon zo maar opgepakt worden en was zijn leven niet meer zeker. In deze vrij korte periode verdwenen volgens mensenrechtenorganisaties ongeveer 30.000 mensen; een officiële onderzoekscommissie documenteerde in 1984 de ontvoering door militairen van 8960 personen. In 1978 werden de Montonero’s in de zogenaamde ‘vuile oorlog’ (guerra sucia) verslagen en was het verenigde verzet gebroken. In 1978, toen het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië gehouden werd, deden voor de eerste keer de ‘Dwaze Moeders’ van het Plazo de Mayo van zich spreken. Ze kregen al snel wereldbekendheid en lopen nu nog steeds op het plein om meer informatie over hun verdwenen kinderen of familie te krijgen. De leider van een van de mensenrechtenorganisaties, Adolfo Pérez Esquivel, ontving in 1980 de Nobelprijs voor de vrede. De militairen hadden een plan om de economie weer op poten te krijgen, maar dat mislukte volledig. Door de vele leningen die werden afgesloten door de regering werd de buitenlandse schuld te hoog. De internationale economie zakte verder in en de druk op het bewind nam steeds meer toe.
Op 29 maart 1981 werd Videla opgevolgd door generaal Roberto Viola, maar al op 22 december 1981 nam de extreem-nationalistische generaal Leopoldo Galtieri het presidentschap over. Hij was het ook die in maart 1982 de oorlog verklaarde aan Engeland inzake de Falkland-eilanden (Islas Malvinas). Deze archipel was al sinds 1833 door de Engelsen veroverd op de Argentijnen en vormde sinds die tijd een twistpunt. De Argentijnen verwachtten dat een Britse reactie zou uitblijven, maar de Britse regering besloot een expeditieleger te sturen. Op 16 juni 1982 gaf de Argentijnse bevelhebber op de Falklandeilanden, generaal Mario Menéndez, zich over. Ca. 800 Argentijnse en 200 Britse militairen waren in de oorlog omgekomen. Door rampzalige economische beleid en de nederlaag op de Falklandeilanden trad generaal Galtieri af als president en opperbevelhebber van het leger en werd op 22 juni 1982 opgevolgd door generaal Reynaldo Bignone, die de terugkeer naar een burgerregering moest regelen.

PERIODE ALFONSIN
De algemene verkiezingen van 30 oktober 1983 werden gewonnen door de Radicale Burgerunie van Raúl Alfonsín, die op 10 december als nieuwe burgerpresident geïnstalleerd werd. Na bijna acht jaar onderdrukking en terreur had de bevolking hoge verwachtingen van de nieuwe president. Hij kon zijn belofte ‘honderd jaar vrede en welvaart’ echter niet waarmaken, ook al omdat Argentinië zich in een economisch beroerde situatie bevond. Ook het onderzoek naar de duizenden verdwenen personen, onder de titel ‘nunca más = nooit meer’, verliep zeer moeizaam. Generaals als Videla en Galtieri werden wel veroordeeld, maar lang niet iedereen werd opgepakt en veroordeeld. Hierbij stond Alfonsín zwaar onder druk van de militairen, die absoluut geen massale veroordelingen wilden en altijd klaar stonden om een nieuwe coup te plegen. Economisch ging het slecht in de periode Alfonsín, de inflatie schoot omhoog en de Wereldbank eiste het geleende geld terug. Daarnaast had de president te maken met een bureaucratisch ambtenarenapparaat dat bijna de gehele begroting opslokte. In 1985 kondigde Alfonsín een prijzenstop aan, gecombineerd met zware bezuinigingen. Verder werd de peso, de nationale munt, vervangen door de austral, maar al deze maatregelen baatten nauwelijks. De kritiek op Alfonsín nam hand over hand toe en het was dan ook niet vreemd dat hij de presidentsverkiezingen van 14 mei 1989 glansrijk verloor. De verkiezingen werden gewonnen door ex-gouverneur Carlos Menem van de provincie La Rioja en lid van de Partido Justicialista, de peronistische partij. In april 1987 en in januari en december 1988 kwamen enkele legeronderdelen in opstand, maar dit had uiteindelijk geen ernstige consequenties

PERIODE MENEM
Onder Carlos Menem ging het economisch weer wat beter met Argentinië. De bezuinigingen pakten goed uit en de hyperinflatie kwam tot een eind. De militaire druk werd sterk verminderd door amnestie te verlenen aan verdachte militairen. Dat de peronistische beginselen grotendeels werden losgelaten werd door de bevolking voor lief aangenomen. Zo werd de vrije markteconomie omarmd en kreeg men de peso, de nationale munt, weer terug. Verder werden importbeperkingen sterk verminderd en veel grote staatsbedrijven werden genationaliseerd. Begin 1990 herstelden Argentinië en Groot-Brittannië de diplomatieke betrekkingen, hoewel de Argentijnse de aanspraken op de eilanden niet opgaf. In december werd een muiterij van een aantal militairen door regeringsgezinde troepen neergeslagen. In dec. 1990 verleende Menem amnestie aan de leden van de voormalige junta's en enkele andere hoge officieren en burgers, die in 1985 veroordeeld waren tot lange gevangenisstraffen wegens schendingen van de mensenrechten tijdens de militaire dictatuur. Onder hen waren de ex-presidenten Videla en Viola.
Vanaf 1994 was er geen inflatie meer en werd het land economisch steeds stabieler. Helaas profiteerden hier vooral de rijken van, de zwakte groepen in de samenleving bleven gebukt gaan onder grote armoede, ook al door de toenemende werkloosheid als gevolg van de privatisering van de staatsbedrijven. In 1995 werd de Argentijnse economie getroffen door de financiële crisis in Mexico, maar Argentinië herstelde zich hier snel van en behaalde jaar na jaar een zeer hoge economische groei. Menem was in zijn eerste regeerperiode verwikkeld in vele schandalen, onder andere corruptie door het benoemen van vrienden en kennissen op belangrijke posten. Ook wist hij er een grondwetswijziging door te drukken waardoor het mogelijk werd om een tweede ambtsperiode als president te krijgen. De presidentsverkiezingen van mei 1995 werden nog door Menem gewonnen, maar de tussentijdse verkiezingen voor de helft van de zetels in de Kamer van Afgevaardigden van 1997, werden door de peronisten verloren en ze verloren op dat moment de meerderheid in het parlement. In 1998 verklaarde Menem dat hij zich niet kandidaat zou stellen voor de presidentsverkiezingen van 1999. Fernando de la Rúa, de kandidaat van de Alianza, versloeg in de voorverkiezingen de peronistische kandidaat Eduardo Duhalde. Hij was op dat moment burgemeester van Buenos Aires. In de tegelijkertijd gehouden verkiezingen voor de helft van de zetels in het Huis van Afgevaardigden behaalde de Alianza 63 zetels en de PJ 50. De coalitie van De la Rúa kreeg door dit verkiezingsresultaat 127 van de 257 zetels in het Huis van Afgevaardigden, terwijl de peronisten teruggingen naar 101 zetels.

PERIODE DE LA RUA
Op 10 december 1999 werd De la Rúa beëdigd als president, en hij beloofde de corruptie aan te pakken en meer aandacht te geven aan sociaal beleid. Het probleem was echter dat de nieuwe regeringscoalitie niet over een meerderheid in het parlement beschikte. Door de aanhoudende economische malaise en aanhoudende straatprotesten zag De la Rúa zich op 20 december 2001 gedwongen om af te treden. Er volgde een zeer onrustige kerstperiode met drie interim-presidenten, achtereenvolgens Ramón Puerta, Adolfo Rodriguez Saá en Eduardo Caamaño. Het parlement greep in en wees de peronist Eduardo Duhalde aan om de ambtstermijn van De la Rúa vol te maken tot de verkiezingen van 30 maart 2003.

PERIODE KIRCHNER
De presidentsverkiezingen van die dag werden gewonnen door oud-president Carlos Menem, echter met te weinig stemmen om meteen weer president te worden. In de daaropvolgende peilingen kwam Menem ver achter te liggen op zijn concurrent Nestor Kirchner. Menem besloot toen zich terug te trekken, waarna Kirchner op 25 mei 2003 de nieuwe president van Argentinië werd.
De populariteit van President Kirchner is hoog, niet in de laatste plaats dankzij het onverwacht gunstig economisch herstel dat tijdens zijn presidentschap optrad. President Kirchner heeft zijn populariteit in parlementszetels verzilverd tijdens de congresverkiezingen van oktober 2005. Hij kwam echter in ernstige botsing met zijn eerdere beschermheer Duhalde, toen hij de greep op het Peronistisch partijapparaat in de Provincie Buenos Aires (40% van de kiezers) van Duhalde overnam.
Met oog op de naderende verkiezingen in oktober worden de politieke kaarten geschud. Hierbij blijkt wederom dat de politiek meer gericht is op de persoonlijkheid van een leider dan op een partij. Pogingen tot het steunen of juist het tegenhouden van de huidige president Kirchner leiden tot allerlei allianties die partijen doet opsplitsen en samensmelten. Zo steunt een deel van de “radicale” partij, de UCR, president Kirchner (Peronist) zij worden de “K” Radicalen genoemd. Binnen dezelfde partij bevinden zich eveneens de “L” Radicalen van voormalig minister van economie Lavagna die door president Kirchner in 2006 is ontslagen en nu een van de belangrijke rivalen is voor de aanstaande presidentsverkiezingen. Er bestaat binnen de “radicale” partij nog een afsplitsing, de “R” Radicalen, die noch de president Kirchner steunen noch Lavagna. Deze afsplitsing wordt geleid door de algemene secretaris van de UCR, Margarita Stolbizer. De “R” Radicalen proberen nu een alliantie te vormen met de centrum linkse Alternativa para una República Igualitaria (ARI), een partij die in zich in 2001 heeft afgesplitst van de UCR.
De verdeeldheid binnen UCR en ook binnen de andere oppositiepartijen zorgen er mede voor dat in aanloop van de verkiezingen president Kirchner favoriet is. President Kirchner laat echter nog twijfels bestaan of hij zich daadwerkelijk kandidaat gaat stellen voor de verkiezingen. Het is namelijk ook mogelijk dat zijn vrouw, senator Cristina Fernández, eveneens populair, in plaats van hem gaat meedoen.
In oktober 2007 wint Cristina Fernández de verkiezingen en in december 2007 is ze benoemd tot president van Argentinië. In juli 2009 verliest de peronistische partij van President Fernandez de absolute meerderheid in het parlement. Eind 2009 en in februari 2010 duurt de ruzie tussen Groot-Brittanië en Argentinië voort over de controle van zeegebieden onder andere naar aanleiding van een brits plan omnaar olie te boren.
Op 27 oktober 2010 overleed Nestor Kircher aan een hartaanval, hij was 60 jaar oud. In oktober 2011 is Cristina Fernández herkozen als president, hierdoor wordt haar ambstermijn verlengd tot december 2015.